Bij koninklijk besluit van 28 maart 1972 werden de Polder van Blankenberge, de Polder de Moere in Meetkerke en het gedeelte van de Polder Eiensluis-Grootreygarsvliet gelegen ten westen van het zeekanaal van Brugge naar Zeebrugge samengevoegd tot één enkele polder onder de benaming "Nieuwe Polder van Blankenberge.
De eerste algemene vergadering waarop het huishoudelijk reglement werd vastgesteld en een bestuur werd verkozen vond plaats op 30 mei 1973. Het huishoudelijk reglement werd goedgekeurd bij KB van 23 november 1973.
Dit bestuur was samengesteld als volgt: Dijkgraaf Louis Kerckhof, Adjunct-Dijkgraaf Jacques van Caloen de Basseghem en 5 gezworenen: de heren Gaston Deleersnijder, Edmond Demeyere, Ides Janssens de Bisthoven, Willy Kerckhof en Victor Vanden Berghe. De installatievergadering waarop de bestuursleden de eed aflegden had plaats op 2 januari 1974. Op de eerste zitting van het nieuw bestuur die doorging op 14 januari 1974 werden de heren Daniël Demeyere en Albert Verburgh aangesteld respectievelijk als waarnemend ontvanger-griffier en sluismeester.
Het veen dat zich tijden het Subboreaal (2000 tot 200 voor J.C.) in de kustvlakte ontwikkelde werd vanaf de 12de eeuw op sommige plaatsen systematisch afgegraven om gebruikt te worden als brandstof. De meest gekende turfstekerij is deze ten westen van Veurne die zich uitstrekt tot over de Belgisch-Franse grens.
Een tweede systematische turfontginning geschiedde ten zuiden van Meetkerke, deels op het grondgebied van de gemeenten Meetkerke, Sint-Andries, Houtave en Varsenare. Hier werden ongeveer 570 ha uitgedolven.
Na het uitvenen ontstond een uitgestrekte waterplas. De voorbereidingen tot de drooglegging van de Moere dateren van 1622, toen Wenceslas Cobergher reeds een paar jaar gestart was in het Veurnse. Op 22 november 1622 kregen een aantal grootgrondbezitters van de centrale regering te Brussel de toelating om de gronden droog te leggen en er een zelfstandige watering van te maken.
Een dijk werd rondom opgeworpen en vanuit de binnengracht werd het overtollige water overgezet naar de Blankenbergse vaart. Hiervoor werden twee houten windmolens met scheprad gebouwd. De ene molen werd in 1811 vervangen door een stenen windmolen die bewaard is gebleven. De andere werd in 1868 gesloopt en vervangen door een stoommachine op kolen.
Door slijtage en gebrekkige werking van de stoommachine overstroomde de Moere van Meetkerke in de jaren twintig herhaaldelijk. In 1927 besliste de polder de stoommachine te vervangen. De nieuwe pompinstallatie werd uitgerust met een dieselmotor van 60 PK (type Deutz) voor het aandrijven van een centrifugaalpomp (type Storck) met een capaciteit van 42 m³ per minuut bij een opvoerhoogte van 2,25 meter. De kostprijs bedroeg 385.082,76 frank. De pomp werd op 7 februari 1928 in gang gezet en in vijftien dagen tijd werd de Moere die reeds vanaf september 1927 onder water stond, bevrijd van wateroverlast.
Om reden van schaarste aan vloeibare motorbrandstof tijdens de tweede wereldoorlog, werd het pompstation in 1942 geëlektrificeerd. Deze pomp bleef in dienst tot eind 1985.
Heden ten dage wordt de waterstand in de Moere geregeld door een vijzelgemaal "de Katte" genaamd, dat in 1980 opgericht werd door de Ruilverkaveling Houtave en gelegen is langs de Vaartdijk Noord op de grens Varsenare / Sint-Andries.